![]() |
Oud-Katholieke
Parochie
|
||
| Waartoe uitgezonden? | |||
|
Worden bankiers gesteund door het evangelie? Petrus en Paulus: totaal verschillend Wij zijn een bouwwerk van de Geest Het ontvangen van de communie is een opdracht Veertigdagentijd: er even tussenuit Het kerstverhaal anders verteld Kerstmis: de bevrijding is begonnen Geloven is niet mogelijk zonder ervaring Maria Magdalena, de apostelgelijke Mijn juk is zacht, mijn last is licht Geen consumenten maar een herderlijk volk Geen bevrijding zonder bekering Kunnen we weer leven in de geest van het martelaarschap? Willen wij nog wel leiding ontvangen? We verrijzen nu al uit de dood "Wees blijde temidden van het lijden" Opdracht van de Heer in de tempel (Maria Lichtmis) Kind dopen antwoord op openbaring God Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten? De rijke man en de arme Lazarus De eerste en de laatste plaats |
Preek van pastoor Jan de Haan, zondag van de zending van de twaalf Jezus zendt zijn leerlingen er twee aan twee op uit en gebiedt hen niets
mee te nemen voor onderweg. Waartoe uitgezonden? Het evangelie van vandaag, over de uitzending van de twaalf apostelen,
deed mij denken aan de Getuigen van Jehovah. Weliswaar is de stok van
Marcus bij de Jehovah’s getuigen een aktentas geworden en zijn de
sandalen intussen stevige schoenen, maar nog steeds trekken zij twee aan
twee de huizen langs om te getuigen van … Ja, waarvan eigenlijk?
De vraag is waarom? Misschien omdat de acute nood die zij gaan lenigen een groter goed is dan de verkondiging van een belofte op de lange termijn. Ook de blijde boodschap van Jezus’ opstanding uit de doden kan nog niet verkondigd worden. Het is nog niet zover. Messiasgeheim Met het evangelie van Marcus is het zgn. Messiasgeheim verbonden. Weliswaar is vanaf de eerste regel van Marcus al duidelijk dat Jezus de Messias is, de Christus, en de Zoon van God, maar dat geldt alleen voor de lezers van het evangelie. Dat geldt niet voor de tijdgenoten van Jezus, voor de ooggetuigen, voor de leerlingen en bekeerlingen. Voor hen geldt een uitdrukkelijk verbod om te zeggen wie Jezus is, wat zijn identiteit, zijn rol en zijn betekenis is. Jezus legt zelfs boze geesten het zwijgen op. Hij wil niet dat ze zeggen wie Hij is (1,25). De genezenen krijgen eenzelfde zwijggebod opgelegd en zijn leerlingen, die weten dat Hij de Messias is, verbiedt Hij hierover te spreken (8,30; 9,21). Waartoe dient dit alles? Men kan er een psychologische verklaring voor zoeken, maar eerder heeft het een politieke reden. De joden verlangden naar een bevrijding van het juk van Rome. Zij stelden zich de Messias voor als een politieke, militaire leider in de lijn van koning David. Met zo een leider wil Jezus uitdrukkelijk niet geïdentificeerd worden. Vandaar dat Jezus eigen voorkeur uitgaat naar de titel Mensenzoon. Daarmee benadrukt Hij dat het bij de ware Messias niet om leiderskwaliteiten gaat, maar om nederigheid en offervaardigheid. “De Mensenzoon”, zo spreekt Jezus over zichzelf in alle drie de lijdensvoorspellingen, “moet lijden… verworpen… en gedood worden” (o.a.Marcus.8,31). Dat is de reden waarom de uitgezonden apostelen niet verkondigen dat zij de Messias gevonden hebben, maar dat zij zich beperken tot een veel eenvoudiger, zij het niet gemakkelijker te volbrengen, oproep tot bekering. Pas als het lot eenmaal onafwendbaar is, bij zijn intocht in Jeruzalem, als zijn tegenkrachten zich verzameld hebben, dan pas laat Jezus zijn terughoudendheid varen en trekt Hij als Messias, als Zoon van David, Jeruzalem binnen (11,10). Geroepen worden De twaalf leerlingen van Jezus en de profeet Amos hebben een gemeenschappelijke ervaring: ze weten zich geroepen om gezonden te worden en handelen daarnaar. Het initiatief tot hun prediking ligt niet bij henzelf, maar komt voort uit een goddelijke roeping en zending. Een van de eerste predikers die erop uit trok en wiens boodschap ons is overgeleverd, is de profeet Amos. Zo’n 2700 jaar geleden liet hij zijn niet mis te verstane woorden horen. Hij was een veehouder en een vijgenkweker uit Tekoa, even ten zuiden van Jeruzalem. De tijden van koning David en Salomo liggen al lang achter ons. Het rijk is verdeeld in twee gedeelten: het Zuid-rijk Juda met als hoofdstad Jeruzalem en het Noord-rijk Israël met als hoofdstad Samaria. Amos richt zijn ongezouten kritiek vooral op het staats-heiligdom in Betel in het Noord-rijk, maar spaart ook Jeruzalem niet. “Wee jullie, zorgenlozen op de Sion, jullie gerusten op de berg Samaria!” In het tweede hoofdstuk van het boek Amos vinden we alles bij elkaar gezet wat Amos dwarszit. “Zo spreekt de HEER: om drie overtredingen van Israël, ja om vier klaag ik ze aan. Omdat ze de rechtvaardige verkopen voor geld, de behoeftige voor een paar schoenen. Zij snakken er naar dat stof van de aarde de armen bedekt en willen de neergebogenen van de weg af dringen”. De priesters van Betel waren op de godsdienst- en maatschappijkritische verkondiging van Amos allerminst gesteld. Dat hebben we gehoord in de eerste lezing van vandaag. De op hun rust gestelde rijken van Samaria en Juda evenmin. “Ze zullen uw rijkdom komen weghalen en uzelf ook wegtrekken zoals een visser zijn haak in de neus van de vis slaat”. Deze dreiging waarover Amos spreekt in het jaar 760 voor Christus heeft niet lang op zich laten wachten. Nog geen 15 jaar later rukken de legers van de koning van Assyrië op tegen Israël. De mensen van het Noord-rijk zullen het eerst worden gedeporteerd. De waarschuwende kritiek van Amos op de rijken en gerusten heeft helaas nog niets aan actualiteit verloren. De Messias achterna Het is in datzelfde Noord-rijk dat Jezus’ leerlingen erop uit
worden gestuurd. “En Hij verbood hun iets anders mee te nemen dan
alleen een stok; geen voedsel, geen reiszak, geen kopergeld in hun gordel.
Wel moogt ge sandalen dragen, maar trekt geen dubbele kleding aan”.
Met deze uitrusting zendt de Leraar uit Nazaret zijn volgelingen naar
de dorpen en de steden van het land om de mensen in herinnering te brengen
wat het betekent zoon van Abraham te zijn en wat dit inhoudt aan toekomstverwachting.
Een uitermate sober tenue, armer kan bijna niet. Door de kleding worden groepen in de maatschappij herkenbaar, functies worden erdoor aangeduid, en standen hebben hun eigen dracht om zich te handhaven in het maatschappelijk bestel. Het is een beginsel van ordening: mensen krijgen hun plaats, en kunnen gemakkelijker op hun kwaliteit worden aangesproken. Dat geeft rust. De vromen van Jezus’ dagen waren herkenbaar op de hoeken van de
straten. Dat is op zich niet erg, maar een groep wordt al gauw een kaste.
De schrijver Steffensky zegt daarover: “Wat wij zijn en willen zijn, moet niet bepaald worden door bezit. Omkeer betekent hier: ons richten op het nieuwe waaraan we niet gewend zijn, ons richten op de soberheid die ons vreemd geworden is. Er ontstaat dan een nieuwe fundamentele levenshouding: ons losmaken van een bezitsdrang, die fataal is omdat hij ons blind maakt voor datgene waar het in ons leven uiteindelijk om moet gaan: onze innerlijke groei naar een rijkdom die z’n bestemming vindt in Gods Woord. Doen we dat niet, dan wordt die drang op den duur ons graf”. Rabbi Pinchas bad eens op een dag: “Heer der wereld, als ik
zingen kon, zou ik U niet daar in de hoogte laten blijven, maar ik zou
zo zingen, en zo lang blijven zingen, dat U wel naar beneden toe moest
komen”. Maar toen hem verteld werd van de grote ellende der
armen, werd hij diepbedroefd, hief zijn hoofd op en zei: “Laten
we God in de wereld trekken en alle leed zal gestild zijn. Wie naar de
stem horen wil van de arme verkondigers, die mag weten dat de Heer nabij
is”. De volgende regels uit Gezang 803 schieten mij te binnen, woorden die ons op een bijzondere wijze met elkaar verbinden, met de profeet Amos, met de Twaalf Apostelen en met die eindeloze stoet van Gods-volk-onderweg die ons al vooraf is gegaan: Door de wereld gaat een woord
|
||