![]() |
Oud-Katholieke
Parochie
|
||
| "En, staat hij écht op of niet" | |||
|
Worden bankiers gesteund door het evangelie? Petrus en Paulus: totaal verschillend Wij zijn een bouwwerk van de Geest Het ontvangen van de communie is een opdracht Veertigdagentijd: er even tussenuit Het kerstverhaal anders verteld Kerstmis: de bevrijding is begonnen Geloven is niet mogelijk zonder ervaring Maria Magdalena, de apostelgelijke Mijn juk is zacht, mijn last is licht Geen consumenten maar een herderlijk volk Geen bevrijding zonder bekering Kunnen we weer leven in de geest van het martelaarschap? Willen wij nog wel leiding ontvangen? We verrijzen nu al uit de dood "Wees blijde temidden van het lijden" Opdracht van de Heer in de tempel (Maria Lichtmis) Kind dopen antwoord op openbaring God Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten? De rijke man en de arme Lazarus De eerste en de laatste plaats |
Preek van Pastoor Remco Robinson, Paasmorgen 2008 Geloofsproblemen Tijdens de Veertigdagentijd heb ik me beziggehouden met geloofsproblemen. Het is namelijk een goede kerkelijke gewoonte om aan het begin van de Veertigdagentijd een boek te kiezen, dat een bijdrage levert aan je eigen geloofsontwikkeling en spiritualiteit. Dit jaar heb ik voor het boekje ‘Eerlijk voor God,’ gekozen, geschreven door een naamgenoot, de anglicaanse bisschop Robinson in 1962. In zijn boekje gaat hij in op een nieuwe bijbelinterpretatie die in zijn tijd populair was geworden. Het was de ontmythologisering van Rudolf Bultmann. In die opvatting is de Bijbel geschreven met een sterk mythologisch wereldbeeld, terwijl wij een wetenschappelijk wereldbeeld hebben. Wij hebben geen goden meer nodig om onweer te verklaren. We denken niet meer dat iemand door een geest is bezeten, maar diagnosticeren de persoon als epilepticus. Om goed te begrijpen wat er in de Bijbel staat, moeten we dus het mythologische uit de bijbelverhalen halen. Robinson gaat dan op zoek naar wat we moeten geloven als we het mythische uit ons geloof halen. Veel theologen en pastores denken nog steeds op deze manier. Zo vroeg een gereformeerd predikant mij naar mijn paaspreek en hij zei: “En, staat hij echt op of niet?” Het paasverhaal is zo het besef van de leerlingen van Jezus dat diens dood niet het einde betekent maar dat Jezus’ opdracht doorgaat. Door Jezus na te leven is Hij nog steeds onder ons, is Hij verrezen. Zo, nu hebt u de preek van de predikant in drie zinnen, waar hij een half uur over zou hebben gedaan. Hoe kunnen wij in de verrijzenis geloven? Het is inderdaad moeilijk in de verrijzenis te geloven. Ook Petrus gelooft het niet meteen als hij het lege graf ziet. Maria Magdalena ook niet. Zij wordt aangesproken door Jezus zelf en als Hij haar naam noemt, herkent zij Hem. Jezus verschijnt later aan zijn leerlingen, waaronder Petrus. Dan geloven ook zij in de verrezen Heer. Wij hebben niet het geluk om een verschijning van Jezus te krijgen. Hoe kunnen wij nu in de verrijzenis geloven. Wij hebben de aardse Jezus niet ontmoet, wij waren er allemaal niet bij. Het enige wat we hebben is een boek van bijna 2000 jaar oud en een kerkelijke traditie. Een geloof dat ons is overgedragen. Zien en geloven In het Johannesevangelie loopt een raadselachtige figuur rond, die de andere evangelisten over het hoofd moeten hebben gezien. Het is de geliefde leerling. Veel bijbelwetenschappers hebben gespeculeerd wie dit zou zijn: de evangelist Johannes, Lazarus, een minnaar van Jezus? Steeds meer bijbelwetenschappers denken dat hij nooit als mens bestaan heeft, maar de ideale volgeling van Jezus is. Wij als lezers krijgen in de geliefde leerling het ideaalbeeld van hoe wij Jezus moeten volgen. In het verrijzenis verhaal is de geliefde leerling de eerste die bij het lege graf is, maar hij is bescheiden en laat Petrus voorgaan. Als hij dan het lege graf ziet, dan gelooft hij onmiddellijk. Hij zag en geloofde. Maar wat ziet de geliefde leerling? Hij ziet het lege graf. Hij ziet niet de verrezen Christus, maar alleen dat de dood er niet meer is. In tegenstelling tot Petrus en Maria Magdalena heeft hij geen Jezus-verschijning nodig om in de verrijzenis te geloven. Ook wij kunnen als we goed kijken lege graven zien. Dat wil zeggen, plaatsen waar de dood heeft geheerst, maar waar de dood toch plaats heeft moeten maken voor iets anders. Het kinderliedje dat we sinds enkele jaren zingen met Pasen noemt allerlei voorbeelden van dingen die dood lijken, maar die toch nog het leven bevatten: de tak zonder bladeren, de rups, de donkere dag. Inderdaad kunnen we het zien in de natuur, waar het leven steeds weer terugkeert. We zien het in de wereld, waar geweld mensen onderdrukt en dood zaait. Toch komen mensen steeds weer terug, worden nieuwe gemeenschappen opgebouwd en probeert de internationale gemeenschap oplossingen te vinden. We kunnen het zien bij mensen om ons heen. We komen de dood tegen, maar ook mensen die aan de dood ontkomen. Mensen die we opgeven en die toch nog een kans krijgen. We zien ruzies die verzoend worden, pijn die verzacht wordt door medeleven van anderen. Wanneer we die aanwijzingen zien, die lichtpuntjes in de duisternis die onze wereld kent, dan kunnen we door onze Bijbel en de kerkelijke traditie de aanwijzingen begrijpen als tekenen van de verrijzenis. Het verdwijnen van de dood wordt zo een symbool van de opstanding. We zien wel niet de verrezen Heer in al zijn glorie. We zien niet werkelijk mensen uit de doden opstaan. Ook wordt ons gebed om genezing of oplossing van problemen lang niet altijd verhoord. We zijn als de geliefde leerling bij het graf, We krijgen niet Jezus te zien, maar we krijgen wel een aanwijzing: het graf is leeg. Jezus is niet meer bij de doden. We zien de aanwijzingen dat de dood niet het laatste woord heeft en dan hebben we ons geloof nodig om te beseffen dat er een verrijzenis is. We weten wat Jezus zei tegen de ongelovige Thomas: Je gelooft nu je me hebt gezien, zalig zij die niet zien en toch geloven. Dat kunnen wij zijn. Op paasmorgen krijgen we een aanwijzing dat de Heer verrezen is. Wij zijn niet zo gelukkig als de eerste leerlingen van Jezus: wij hebben de mens Jezus nooit gekend en Hij is evenmin aan ons verschenen. Dat maakt het geloof in de verrijzenis moeilijk. We moeten het hebben van de Bijbel en de traditie van de kerk. Toch krijgen ook wij aanwijzingen dat er een verrijzenis is. Kleine vingerwijzingen van God dat de dood niet het einde is, kleine momenten van hoop, waar je die niet meer verwacht. De geliefde leerling uit het Johannesevangelie is dan ons voorbeeld. Hij zag de aanwijzing van het lege graf en hij geloofde.
De mythe uit ons geloof Als ik het boekje van mijn naamgenoot, bisschop Robinson, lees dan begrijp ik de ontgoocheling van veel gelovigen, maar ook de bevrijding die het voor anderen heeft kunnen brengen. . Volgens Robinson moeten we de mythe uit ons geloof verwijderen om het evangelie echt te verstaan. Dan zou de mens die niet in een letterlijke verrijzenis gelooft, dichter bij de waarheid zitten dan de vrome man of vrouw van zijn tijd. Ontgoocheling voor de vrome, bevrijding voor de zoekende mens, die niet meer kan geloven. Tegenwoordig weten we dat er geen geloof zonder mythe bestaat. Dat de schrijvers van de Bijbelverhalen hun mythen hadden, maar wij net zo goed. Als gelovigen hoeven we niet te geloven wat de schrijvers oorspronkelijk bedoelden, maar het gaat het erom wat hun getuigenis in hun woorden betekent voor ons. Dan kan het zijn dat hun mythen de onze ontkrachten, dat het onmogelijke toch mogelijk is, dood en verrijzenis.
|
||