![]() |
Oud-Katholieke
Parochie
|
||
| Het bidden | |||
|
Worden bankiers gesteund door het evangelie? Petrus en Paulus: totaal verschillend Wij zijn een bouwwerk van de Geest Het ontvangen van de communie is een opdracht Veertigdagentijd: er even tussenuit Het kerstverhaal anders verteld Kerstmis: de bevrijding is begonnen Geloven is niet mogelijk zonder ervaring Maria Magdalena, de apostelgelijke Mijn juk is zacht, mijn last is licht Geen consumenten maar een herderlijk volk Geen bevrijding zonder bekering Kunnen we weer leven in de geest van het martelaarschap? Willen wij nog wel leiding ontvangen? We verrijzen nu al uit de dood "Wees blijde temidden van het lijden" Opdracht van de Heer in de tempel (Maria Lichtmis) Kind dopen antwoord op openbaring God Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten? De rijke man en de arme Lazarus De eerste en de laatste plaats |
Preek van pastoor Jan de Haan, 29 juli InleidingZondag van het bidden. Jezus leert ons bidden. Wij mogen God onze Vader noemen en ons zo verbonden weten met alle mensen op aarde. Wij bidden dan ook dat hemel en aarde, heel de werkelijkheid, in vrede en harmonie zal zijn naar Gods bedoeling. Wanneer vergeving de grondtoon is van ons doen en laten, zal het kwade verdwijnen en Gods koninkrijk gekomen zijn. Er wordt ons vandaag ook duidelijk gemaakt dat wij in ons gebed ook mogen “aandringen”, want God zal ons geven wat we elke dag “broodnodig” hebben: Zijn heilige Geest. “Zalig wie zijn getuigenis verstaan, van ganser harte zoeken naar zijn vrede” Preek“Als jullie, ook
al zijn jullie slecht, je kinderen al goede gaven schenken, hoeveel te
meer zal de Vader in de hemel dan niet de heilige Geest geven aan wie
Hem erom vragen.” (Lc.1,13) Bevrijdende boodschapDe Epistellezing, uit de Brief aan de Kolossenzen, (2,6-15) die we vier zondagen achtereen in kleine porties tussen de hoofdgerechten van de Schriftlezingen krijgen opgediend, raakt vandaag de kern van ons christelijk leven. Zij bevat een bemoediging en nodigt eerder uit tot lofprijzing dan tot bidden en smeken. Zij leert ons dat we maar één ding voor ogen moeten houden: God heeft ons vrijgemaakt door ons te doen opstaan uit de dood van de zonde. Het kost de apostel Paulus veel moeite om het evangelie aan de gemeente van Kolosse over te brengen. Blijkbaar hebben ontsporingen en dwaalleringen in de gemeente kunnen postvatten. Paulus zet zich daar fel tegen af. Hij houdt hun voor dat de weg van Christus de enige ware weg is. Hij waarschuwt tegen misleidende theoriën. In Christus is de goddelijke volheid en ook in ons, omdat wij één zijn met Hem. Aan het eind heeft Paulus het nog over een schulddocument. Kennelijk hebben we niet alleen in onze tijd te maken met een boekhoudersmentaliteit. Die speelde in Kolosse ook al een rol. Daar bestond een leer die zei dat engelen zeer nauwkeurig de balans opmaakten van wat de mensen deden. Daarop werden de mensen afgerekend. Dat beeld past niet bij de liefhebbende God en Paulus verzet zich daar dus tegen. God ontkracht deze machten juist. Bestaan die machten en krachten echt ? Het lijkt erop dat ze juist in het licht van God ontmaskert worden als hersenschimmen. De kern van wat Paulus ons vandaag schrijft is, dat een christenmens door de Doop één is geworden met de gekruisigde en verrezen Heer. Dit voltrokken proces stelt elk van ons onder de vergevende kracht van Jezus aan het kruis. Op deze basis van volkomen vergeving van zonden mogen wij vrijmoedig tot God gaan. De Geest van God, die Jezus uit de doden opwekte, doortrekt ook ons hele bestaan – ons denken, ons werken én ons bidden. Vriend van GodLaten we van Paulus teruggaan naar Abraham zoals deze ons in de Eerste Lezing verschijnt. We zien hier de “vader van alle gelovigen” die temidden van een ontaard geslacht vrijmoedig ten beste weet te spreken. Abraham zal in de latere traditie “de vriend van God” genoemd worden. De moslims noemen hem tot op heden “El Khalil” – de vriend. Tussen God en Abraham waren er geen geheimen, alleen openheid en vertrouwen. Diep geloofVoorafgaande aan het vraaggesprek tussen God en Abraham staat de passage waarin Abraham van God de belofte krijgt dat hij stamvader wordt van een groot volk. In de verzen die voorafgaan aan de lezing van vandaag voert God een gesprek met zichzelf. “Zal IK Abraham verbergen wat IK van plan ben met Sodom te doen?” Het is natuurlijk een wat vreemde situatie: God die vindt dat HIJ verplicht is tekst en uitleg te geven van zijn handelen. Toch is dit juist een getuigenis van een diep geloof in de betrokkenheid van God op zijn volk. Alleen mensen die geloven dat het God werkelijk ter harte gaat wat er met hen gebeurt, zullen zo’n gedachtegang ontwikkelen en in een verhaal als het onderhavige neerschrijven. Uit andere culturen, ook uit de omringende culturen van Israël, zijn vele verhalen bekend over de willekeur van goden ten opzichte van mensen. Baäl eiste diensten en offers, zelfs mensenoffers. De God van het volk Israël vraagt maar een ding: trouw! Vragen staat vrijVragen staat vrij. In onze samenleving is dat niet zo vanzelfsprekend als het lijkt. Velen van ons zijn opgevoed met de uitdrukking: kinderen die vragen worden overgeslagen. Dat kan een heel mensenleven tekenen in negatieve zin. Gelukkig durft Abraham wel te vragen. Ook Abraham heeft schroom om te vragen, maar hij is er van overtuigd dat hij voor een rechtvaardige zaak staat en gaat gewoon door. Het is een spannend verhaal. Wanneer is het geduld van God op? Wanneer krijgt Abraham te verstaan dat hij over de schreef is gegaan? Het vragen om gunsten en doorvragen is een bekend thema. Ook in de volksverhalen zijn parallellen te vinden van zo’n vraagverhaal, bijvoorbeeld het sprookje van Piggelmee. Het cruciale verschil tussen beide verhalen geeft ook tegelijk de reden waarom Piggelmee uiteindelijk met lege handen komt te staan en Abraham krijgt wat hij vraagt. Piggelmee vraagt voor zichzelf. De vraag van Abraham is ten gunste van anderen die niet eens weten dat er voor hen gevraagd wordt. Dat de stad toch wordt vernietigd, ligt aan de mensen daar, niet aan de inzet van Abraham. Er zijn geen rechtvaardigen te vinden behalve Lot en zijn familie en die mogen vertrekken. Eén rechtvaardige De Nieuwe Bijbelvertaling
spreekt van vijftig “onschuldigen”. Ik hecht hier echter aan
de vertaling die de vijftig “rechtvaardigen” noemt. In zijn
afdingen durft Abraham niet verder te gaan dan tien rechtvaardigen. “Tien
rechtvaardigen in één stad volstaan om die stad te sparen”
is een rabbijnse uitspraak. “Tien” is ook het voorgeschreven
aantal mannen die een Joodse Gebedsdienst mogelijk maakt. Jeremia zal
het wagen om de heilige stad Jeruzalem voor de dreigende ondergang te
sparen, “al is er slechts één rechtvaardige”
(Jer.5,1). In elke generatie staan mensen op zoals Abraham of Mozes,
die niet oordelen maar wel vrijmoedig ten beste spreken voor een stad,
een volk, een land, een kleine blauwe planeet, verloren in een of andere
melkweg. In elke generatie hoopt het hart van God één sterveling
te vinden die rechtvaardig is, in die Ene Rechtvaardige, zodat die generatie
gespaard mag worden, indachtig het verbond met Noach gesloten. Noach immers
“had genade gevonden in de ogen van de Heer”. Hij was immers
“één rechtvaardige” (Gen. 6,9). Leer ons biddenDat brengt ons bij Jezus die,
zo begint het evangelie van vandaag, aan het bidden was. Toen Hij zijn
gebed beëindigd had, zei een van zijn leerlingen tegen Hem: “Heer,
leer ons bidden”. Blijkbaar hebben de leerlingen iets bijzonders
gezien in de biddende Jezus en maakte het indruk, zoals Hij daar in gesprek
was met God, die Hij met overgave en overtuiging “Vader” noemde.
Zeker, dat maakt indruk. Mensen hebben een zeker vermoeden dat God oorsprong
en toekomst is van alle leven en daarin al het aardse overstijgt, maar
toch durven ze God heel intiem en heel nabij aan te spreken als Vader,
Vriend, Tochtgenoot. Daar zit iets onbevangens in, iets ontwapenends.
Die ver weg is, komt dichterbij. Die nooit gezien is, krijgt gezicht.
Die onnoembaar is, krijgt vele namen. In het bidden van Jezus is God die
hoog in de hemelen troont, tegelijk ook Vader, tegen wie je mag praten
als mensenkind en aan wie je van alles mag vragen. Dat moet indruk hebben
gemaakt. Het gebed dat Jezus ons leert is geen onbeschaamd, zelfzuchtig en eigengereid vragen: Vader geef ons alles wat we willen hebben; geef ons een leven zonder problemen en zonder pijn; laat het mij aan niets ontbreken. Nee, Jezus begint met heel nadrukkelijk alle ruimte aan God te geven. De heiliging van de Godsnaam en de komst van een nieuwe wereldorde in het Godsrijk: dat is en zal het doel moeten zijn van alle gelovig verlangen, hopen, bidden en smeken. Daarin gaat “ik” over in “wij”, overstijgt het geluk van mens en wereld het persoonlijke en individuele welzijn. In het bidden van Jezus gaat de Ander voor, de Ander, die God is in elke denkbare verschijning, maar het meest toch te zien in mensen die naasten zijn. Met de bede om het Rijk van God wordt eigenlijk alles gezegd en gevraagd wat wenselijk is. Dan is er alleen nog maar een bede nodig voor de vergeving van onze schulden en dan mogen we ook bidden om het dagelijks brood, vooral om het met anderen te delen. Het sterke van die wijze van bidden is dat Jezus er zijn wijze van leven van gemaakt heeft. Wat Jezus bidt, dat doet Hij ook. Waar zijn hart vol van is, stromen niet alleen zijn mond, maar ook zijn handen van over. Met handen vol liefde, brood en nieuwe levenskansen treedt Jezus de ander tegemoet. Wie zo leeft, verricht wonderen. Dat heeft indruk gemaakt op de vrienden van Jezus, die in hun leven willen bidden en werken zoals Hij. Wie in het voetspoor van Jezus wil treden, die leeft aan het eigen genoeg voorbij en maakt als vanzelf ruimte voor wat komen zal: brood en leven in overvloed voor allen die wonen in een nieuwe wereld. Vragen en krijgenNa ons in het bidden te zijn voorgegaan, maakt Jezus door de voorbeelden nog eens heel duidelijk dat je God altijd en aanhoudend mag vragen. Bij God hoef je niet bang te zijn dat HIJ je de deur wijst. “Daarom zeg Ik jullie: vraag en je zal gegeven worden”. En Jezus vervolgt: “Welke vader zou zijn kind, als het om een vis vraagt, in plaats daarvan een slang geven. Of een schorpioen, als het om een ei vraagt?” Het lijken prachtige romantische beelden. Misschien alleen maar werkelijkheid toen Jezus met zijn vrienden op aarde rondliep? Nee, ook toen was geloven niet in een warm bedje stappen dat voor je gespreid is, ezeltje strek je tafeltje dekje enzovoort. Geloven levert geen direct resultaat op. Het betekent niet het afsluiten van een leuke, betrouwbare levensverzekering, die niets kost. Geloven betekent niets minder dan je storten in een avontuur; als Abraham op reis gaan, durven verlaten wat je vertrouwd is, durven loslaten wat je dierbaar is, je positie, je geld, je macht. Alleen door los te durven laten zul je gaan ontdekken: ik ben eigenlijk niets kwijt. Ik heb er andere dingen voor terug gekregen; ik leef nu zinvol, ik heb een doel, ik weet voor wie ik leven mag. Jezus’ woord “vraag en je zal gegeven worden”, zal dan pas werkelijkheid worden als we het oude durven prijs te geven en net als Abraham met God op weg willen gaan, wanneer er sprake is van een nauwe liefdesband tussen God en ons. God geeft ons het beste: zijn Geest. Vanuit die Geest kunnen we leven zoals Jezus zelf: als hele mensen zoals God ons bedoeld heeft. Kom dan, heilige Geest, en ontsteek in ons het vuur van uw liefde en doe het branden tot in eeuwigheid. |
||